De Masoreten kennen wij als de schriftgeleerden die, tussen ca. 600 en 1000 A.D., de mondelinge traditie rondom de uitspraak van het Hebreeuws hebben vastgelegd. Dat deden ze door de medeklinkertekst van de Hebreeuwse Bijbel te voorzien van stipjes en streepjes die klinkers uitdrukken, maar ook het verschil kunnen maken tussen enkele of dubbele medeklinkers, plofklanken en wrijfklanken en tussen de sin en de sjin - de zogenaamde nikkoed. Daarnaast kreeg ieder woord een accent.
Wat de Masoreten ook deden, was opmerkingen in de kantlijn maken. Deze schreef men in het Aramees met kleine lettertjes, gebruik makend van afkortingen. Hieronder ziet u, op een pagina uit de Aleppo Codex, naast iedere kolom de zogenaamde kleine masora en boven- en onderaan de bladzijde de grote masora.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Aleppo_Codex_(Deut).jpg
In de Biblia Hebraica Stuttgartensia, de wetenschappelijke uitgave van de Tenach, staat de kleine masora ook. Voetnoten verwijzen naar de sectie direct onder de tekst waar genummerde verwijzingen naar de grote masora (mm = masora magna) staan. Deze vindt u in een apart boek. Het merendeel van de Masoretische aantekeningen gaat over hoevaak een bepaalde vorm of een combinatie van woorden voorkomt.


In de eerste regel zien we een cirkel tussen de eerste twee woorden. In de kantlijn vinden we de letter ב, voorzien van een stip. Dit wil zeggen dat וילך איש twee keer voorkomt, aangezien de letter beet de getalswaarde 2 heeft. De lamed die we als aantekening bij ותצפנהו vinden drukt echter 'eenmaal' uit, of eigenlijk 'er is geen andere'.
Terug naar de eerste aantekening. De voetnoot verwijst naar de masora magna, mm 377 (zie hieronder). Daar lezen we dat de enige andere plek waarop 'een man ging' in Ruth 1:1 is. Met lidwoord וילך האיש 'de man ging' komt ook nog tweemaal voor.
De verklaring van de kleine masora in bovenstaande afbeelding:
1: וילך איש komt 2 keer voor.
2: ותצפנהו komt 1 keer voor; ירחים komt 4 keer voor; ולא komt 4 keer aan het begin van een vers in dit boek voor.
3: הצפינו komt 1 keer met leesmoeder jod voor; גמא komt 3 keer voor.
4: בסוף komt 1 keer voor.
5: מרחק komt 7 keer zonder leesmoeder waaw voor; יֵעָשֶׂה komt 36 keer voor, gecombineerd met לוֺ vijf keer.
6: הלכת komt 1 keer zonder leesmoeders waaw voor.

Hieronder zien we hoe de kleine en grote masora in de Codex Leningradensis eruitzien. Waar de regel inspringt begint Exodus 2. Tussen de eerste twee woorden, om precies te zijn boven de rechter bovenkant van de alef, staat de cirkel waarmee de Masoreten aangaven dat ze hierbij een aantekening hebben gemaakt. In de rechter kantlijn staat de ב 'tweemaal'. Op het rechterplaatje zien de bovenkant van de pagina met de grote masora. Daar zien we weer de ב gevolgd door dezelfde tekstverwijzingen als hierboven bij 377. Natuurlijk hadden de Masoreten aan enkele woorden genoeg om een passage te kunnen herkennen; bijbelboek, hoofdstuk en vers noemen ze niet.


Reactie plaatsen
Reacties